azdelta  
                          
AZ Delta Roeselare    
Campus Wilgenstraat   Campus Brugsesteenweg Tel.  051-23.70.22
Wilgenstraat 2 Brugsesteenweg 90 Fax. 051-23.79.77
8800 Roeselare 8800 Roeselare  
webmaster: glen.forton@azdelta.be

Een woordje uitleg over:
- oorproblemen en   -operaties
- neusproblemen en -operaties
- sinusproblemen en -operaties
- duizeligheid
- oorsuizingen
- allergieën
- snurken en oplossingen
- schildklierproblemen
- stemproblemen
- keel- en stembandkanker

 

 
 
Over de schildklier en schildklierproblemen

De schildklier
De schildklier bevindt zich aan de voorzijdet van de hals, net voor de luchtpijp en onder het strottehoofd. De schildklier bestaat uit een linker lob, een rechter lob en een veel kleiner centraal deel dat beide lobben verbindt en op de middellijn zit. Een normale schildklier weegt zo'n 10 tot 20 gram.

De schildklier maakt schildklierhormonen aan en geeft die af aan het bloed. Via het bloed gaan die hormonen naar alle cellen en organen. Schildklierhormoon heeft een ingrijpend effect op quasi alle lichaamsfuncties. Als de schildklier normaal werkt, werken alle lichaamsfuncties op een normale intensiteit en blijft het evenwicht of status quo in alle lichaamsfuncties behouden: we noemen dit homeostase: bij een normale omgevingstemperatuur hebben we het niet warm of koud; is het te warm, dan gaan we zweten en als de omgevingstemeratuur te laag is, gaan we rillen. We vallen niet zomaar af en we worden niet zomaar zwaarder.

De werking van de schildklier
De schildklier maakt twee soorten hormonen aan: thyroxine (T4) en thyronine (T3)
Het hormoon T4 is een soort voorraad. T3 is het actieve hormoon.

Naar behoefte van het lichaam, weefsels en cellen wordt T4 omgezet in T3.
Dat gebeurt onder andere in de lever, de spieren en de hersenen.

Schildklierhormoon speelt een grote rol bij de stofwisseling in de cellen.
Met stofwisseling bedoelen we het opnemen van voedsel en het omzetten van dat voedsel in energie.
Die energie is nodig voor alle lichaamsprocessen.

De schildklier zorgt dus dat het lichaam genoeg energie krijgt om te werken. 

Helaas komt het nogal eens voor dat de schildklier te veel of te weinig schildklierhormonen maakt. Dat is het gevolg van een schildklieraandoening. Er kan soms ook sprake zijn van schildklierkanker. Door een teveel of een tekort aan schildklierhormoon, ontstaan allerlei klachten. Mogelijk hebben 800.000 tot 1.000.000 mensen in België een schildklieraandoening. Vrouwen 4 tot 8 keer vaker dan mannen.

Klachten

Een teveel aan schildklierhormoon, zorgt voor een verhoogde stofwisseling of metabolisme: we spreken dan van hyperthyroïdie. Bij een tekort aan schildklierhormoon veroorzaakt een verlaagde stofwisseling of metabolisme: we noemen dat hypothyroïdie..

Bij volwassenen beïnvloedt de stofwisseling zaken zoals gewicht, concentratie, hartritme, energie en geestelijke stabiliteit.

Bij kinderen heeft de stofwisseling bovendien ook een invloed op de verstandelijke ontwikkeling en de groei.

Lang niet iedereen heeft alle klachten. Veel klachten komen ook voor bij andere aandoeningen, ze zijn dus niet specifiek voor schildklierproblemen. Dit maakt het voor de arts soms moeilijk een diagnose te stellen op basis van de klachten alleen.

Als meer van de genoemde klachten aanwezig zijn, is er wellicht sprake van een schildklieraandoening. Het is dan aan te raden een bloedonderzoek te laten doen. Alleen een bloedonderzoek geeft aan of de schildklier de oorzaak is van deze verschijnselen.

Symptomen van hyperthyroïdie

  • Hartkloppingen (tachycardie)
  • Gewichtsverlies ondanks toegenomen eetlust
  • Vermoeidheid
  • Kortademigheid bij inspanning
  • Snelle hartslag
  • Struma (vergrote schildklier)
  • Last van warmte-opwellingen en overmatig transpireren, ondanks normale omgevingstemperatuur; voorkeur voor koelte
  • Warme, vochtige handen
  • Trillende handen/vingers
  • Zenuwachtig, nervositeit, gejaagdheid
  • Bewegingsonrust
  • Spierzwakte (krachtsverlies in spieren)
  • Weinig of geen menstruatie
  • Darmklachten, diarree en/of vaker ontlasting
  • Geheugenzwakte
  • Instabiliteit, geïrriteerdheid, angst, andere psychische klachten
  • Oogklachten (o.a. uitpuilen van de ogen)
  • Retractie (terugtrekking) bovenooglid
  • Longembolie

Bij hyperthyroïdie maakt de schildklier dus te veel schildklierhormoon.  Soms is die hyperthyroïdie tijdelijk. De schildklier gaat daarna weer normaal werken. Het komt ook voor dat hij daarna een tijd te weinig hormoon maakt (hypothyroïdie).Dit zien we bijvoorbeeld bij de ziekte van Hashimoto, een vorm van schildklierontsteking. Het is mogelijk dat de schildklier een zone bevat die op zijn eentje overdreven werkt: dat is een zogenaamde "warme nodulus". Het is echter ook mogelijk dat de schildklier in haar geheel te veel werkt en gaat vergroten onder invloed van een verhoogde stimulatie door thyroid-stimulerend hormoon (TSH), een hormoon dat afgescheiden wordt door de hypophyse. Er zijn nog talrijke andere oorzaken van een te veel of te weinig functioneren van de schildklier:

  • Ziekte van Graves
  • Graves ofthalmopathie
  • Toxische multinodulaire Goiter
  • Ziekte van De Quervain of subacute thyroiditis
  • Stille thyroiditis
  • Zeldzame vormen van hyperthyroidie
  • Thyreotoxische storm

Ziekte van Graves
Ongeveer 70-80% van de patiënten met hyperthyroïdie heeft de ziekte van Graves. Deze aandoening wordt ook wel ziekte van Basedow genoemd. De toegenomen werking van de schildklier ontstaat door antistoffen tegen de TSH-receptor. Deze antistoffen imiteren de werking na van TSH (= schildklier stimulerend hormoon). Zo wordt de schildklier extra aangezet om schildklierhormoon te maken.

De ziekte van Graves komt meestal voor zonder of met een gering struma (= verdikking van de schildklier).Soms komt de ziekte voor samen met de oogziekte van Graves (oftalmopathie). 

Graves’ oftalmopathie (oogziekte)
De auto-immuunziekten van de schildklier, zoals de hoger vermelde ziekte van Graves, kunnen gepaard gaan met bepaalde oogproblemen (uitpuilen van de ogen, retractie van het bovenste ooglid, vertraagd knipperen). Dit wordt de oftalmopathie van Graves genoemd. Gelukkig geven de meeste andere schidklierproblemen geen oogklachten.

Van alle patiënten met de oftalmopathie van Graves,  heeft ongeveer 75% de ziekte van Graves. Ongeveer 3% heeft de ziekte van Hashimoto (auto-immuun ontsteking van de schildklier). De overige patiënten hebben een gewone schildklierwerking.

Van de patiënten met een gewone schildklierwerking krijgt een groot deel binnen anderhalf jaar alsnog schildklierproblemen en waren de oogsymptomen dus een voorteken..

Verband met roken
Uit onderzoek blijkt dat er een sterk verband bestaat tussen roken en de ziekte van Graves enerzijds en de oftalmopathie van Graves anderzijds. Graves-patiënten zijn vaker rokers.

 In het beginstadium:

  • Zwelling rond de oogkas en oogleden
  • Roodheid, branderigheid
  • Snel tranende ogen
  • Lichtschuwheid (zonlicht is irritant)
  • Vermoeidheid van de ogen
  • Gevoel alsof er zand in de ogen zit (door vertraagd knipperen)
  • Wazig zien 

In een later stadium:

  • Dubbelzien of diplopie
  • Verminderd gezichtsvermogen
  • Uitpuilend(e) oog/ogen, retractie van het bovenste ooglid.

Veel patiënten met de ziekte van Graves hebben een starende of schrikachtige uitdrukking. Het bovenooglid is dan wat teruggetrokken.

Toxische multinodulaire goiter/adenoom
Een toxische (multi)nodulaire goiter noemen we ook wel de ziekte van Plummer. "Nodulair" betekent knobbelig of bolvormig; "goiter" staat voor een vergrote schildklier.

De aandoening komt vaak familiaal voor. De klachten zijn minder opvallend dan deze bij de ziekte van Graves. De ziekte van Plummer ontstaat meestal sluipend. Deze aandoening zie je vooral bij oudere mensen die al jarenlang een nodulaire goiter hebben. De meest voorkomende verschijnselen zijn een snelle polsfrequentie en goiter. De knobbels zijn bolvormige gebiedjes in de schildklier die zich niets aantrekken van TSH (= schildklier stimulerend hormoon). Deze gebiedjes gaan hun eigen gang en maken steeds meer schildklierhormoon.Als er slechts één (hyper)actieve knobbel is, noem je dit een toxisch adenoom of nodus.

Subacute thyroïditis – Ziekte van De Quervain
De ziekte van De Quervain is een niet-chronische ontsteking van de schildklier.De meest waarschijnlijke oorzaak is een virus. De ziekte wordt vaak voorafgegaan door een keelontsteking.

Typische klachten/symptomen zijn:

  • een gezwollen en pijnlijke schildklier
  • pijn die uitstraalt naar de kaakhoeken en/of naar één of beide oren
  • koorts
  • pijn bij slikken
  • een verhoogde bloedbezinking (Sedimentatie) 

Meestal werkt de schildklier tijdelijk eerst te snel. Daarna tijdelijk te traag. Daarna is er vaak herstel. Bij ongeveer 20% van de patiënten komt de ziekte terug.

Stille of pijnloze thyroïditis
Het beeld van deze ziekte lijkt op de ziekte van De Quervain.

De naam zegt het al: bij deze vorm van thyroïditis is er geen pijn. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om een variant van de ziekte van Hashimoto (auto-immuun ontsteking van de schidklier).  Bij de ziekte van Hashimoto is de bloedbezinking meestal niet verhoogd. Bij stille thyroïditis is die juist wel verhoogd.

Vaak zie je deze aandoening na een bevalling. We spreken dan van een post-partum thyroïditis. Bij een post-partum thyroïditis werkt de schildklier eerst tijdelijk te snel. Daarna is er een fase van verminderde schidklierwerking. Na enige tijd kan de schildklier weer normaal gaan werken. In de loop van de jaren krijgen veel vrouwen toch een blijvende hypothyroïdie.
  
Zeldzamere vormen van hyperthyroïdie
Zeer zelden ontstaat hyperthyroïdie door een gezwel aan de eierstokken. 
Soms ontstaat een gezwel in de hypofyse dat TSH aanmaakt.

Thyreotoxische storm
Met een thyreotoxische storm bedoelen we een zeer ernstige toestand waarbij de verschijnselen zeer heftig zijn. Gelukkig komt dit tegenwoordig nog maar weinig voor. De verschijnselen van zo’n thyreotoxische crisis zijn koorts, hartkloppingen, misselijkheid, braken, diarree, hartfalen en in ernstige gevallen geelzucht. Patiënten kunnen in coma raken. Behandeling op een intensive care unit (ICU) is dan nodig. De behandeling is moeilijker dan bij een ‘gewone’ hyperthyroïdie.

 

Behandeling:

Naargelang de oorzaak, is de behandeling medicamenteus (met opvolging door een endocrinoloog), dan wel heelkundig. Een combinatie van beiden is soms aangewezen.

Hypothyroïdie

Symptomen van een te weinig werkende schildklier zijn:

  • Vermoeidheid
  • Steeds het gevoel koud te hebben
  • Droge, koude, bleekgele huid
  • Traagheid in denken en handelen
  • Langzame spraak
  • Geheugenverlies (concentratiestoornissen)
  • Psychische klachten zoals depressiviteit en apathie
  • Myxoedeem: verdikte huid waarin je geen ‘putjes’ kan drukken, bijv. rond de ogen en op de onderbenen
  • Spierzwakte
  • Spierpijn en stijfheid, met name in armen, benen en heupen
  • Gewrichtspijn
  • "Carpal tunnel" syndroom: let wel: doorgaans is een "carpal tunnel" syndroom niet toe te schrijven aan hypothyroïdie
  • Hartklachten (eigen aan een te trage hartslag)
  • Broos en uitvallend haar
  • Breekbare, brosse nagels
  • Wenkbrauwuitval
  • Gewichtstoename
  • Kortademigheid (oppervlakkige ademhaling), benauwdheid
  • Hese, krakende stem
  • Verstopping
  • Doofheid
  • Nervositeit
  • Oogklachten (exophthalmie bij ziekte van Hashimoto)
  • Heftige menstruaties 

Als de schildklier te traag werkt en te weinig hormoon maakt, noemen we dat hypothyroïdie. Het kan tijdelijk zijn, maar meestal is het levenslang. In België is de aandoening meestal het gevolg van de aanmaak van antistoffen tegen schildklierweefsel. Hypothyroïdie kan echter ook ontstaan door de behandeling van een andere (schildklier)aandoening. Soms is hypothyroïdie aangeboren. Voor de tijd dat er systematisch jodium werd toegevoegd aan het keukenzout, ontstond hypothyroïdie soms door een tekort aan jodium in het voedsel. Zo was hypothyroidie bij kleine kinderen, met alle gevolgen op de ontwikkeling vandien, endemisch in de bergen (Oostenrijk en Zwitserland). Men spraak toen van "cretinisme". Uiteraard is dit nu verleden tijd door toevoeging van jodium aan het keukenzout.

  • Aangeboren hypothyroïdie
  • Primaire hypothyroïdie 
    • Ziekte of thyroïditis van Hashimoto
    • Primair myxoedeem (atrofie)
    • Na (gedeeltelijke) chirurgische verwijdering van de schildklier
    • Na behandeling met radioactief jodium
    • Na bestraling voor andere aandoeningen dan de schildklier
    • Na subacute thyroïditis – ziekte van De  Quervain
    • Stille of pijnloze thyroïditis
    • Voorbijgaande hypothyroïdie
  • Subklinische hypothyroïdie
  • Centrale hypothyroïdie (door te weinig aanmaak van TSH door de hypophyse)

Aangeboren hypothyroïdie
Wanneer de schildklier van een pasgeborene geen of te weinig hormoon maakt, noem je dit congenitale hypothyroïdie.

Er zijn twee vormen:

  • de schildklier ontbreekt of is slecht ontwikkeld
  • de schildklier is aanwezig en volgroeid, maar maakt niet tot nauwelijks schildklierhormoon

Ongeveer 1 op de 2000 pasgeborenen heeft een tijdelijke stoornis.
Ongeveer 1 op de 3000 pasgeboren heeft een blijvende stoornis.

De risico’s voor een baby met hypothyroïdie zijn groot. Zonder behandeling kan er onherstelbare beschadiging van de hersenen ontstaan. Een groeiachterstand is ook mogelijk.

Hielprik
In België kennen we de hielprik. Hiermee wordt bloed afgenomen bij een pasgeboren baby. In het afgenomen bloed wordt het T4-gehalte onderzocht. Als dat te laag is, wordt ook de TSH-waarde bepaald. Bij een afwijkende uitslag wordt de baby verwezen naar een kinderarts  of endocrinoloog. Hoe eerder de behandeling begint met schildklierhormoon, hoe beter.

Primaire hypothyroïdie 

Ziekte of thyroïditis van Hashimoto
Bij deze ziekte is sprake van een chronische ontsteking van de schildklier. Het ontstekingsproces verloopt heel traag. In het begin van de ziekte is vaak niet duidelijk dat het om de schildklier gaat. De verschijnselen kunnen ook bij andere aandoeningen horen. De ontsteking ontstaat door antistoffen tegen de schildklier: anti-TPO en anti-Tg. Geleidelijk aan vernietigen de antistoffen het schildklierweefsel. Veel patiënten hebben een goiter (= vergroting van de schildklier). Een goiter kan groot of klein zijn. Het voelt aan als een vaste harde plek. Meestal is zo’n goiter pijnloos, soms wat gevoelig. De bloedbezinking is niet verhoogd.

Primair myxoedeem (atrofie)
Bij deze ziekte zorgen antistoffen tegen de TSH-receptor voor het probleem. Deze antistoffen blokkeren de werking van TSH (= schildklier stimulerend hormoon). De schildklier ontvangt geen bericht meer van de hypofyse. Daardoor maakt de schildklier geen hormoon en ontstaat hypothyroïdie. Door deze ziekte verschrompelt de schildklier. Dit noem je atrofie. 

Na (gedeeltelijke) chirurgische verwijdering van de schildklier
Een operatie om de schildklier te verwijderen, kan nodig zijn bij een grote goiter, een nodus of bij schildklierkanker. Indien de schldklier volledig verwijderd dient te worden (= thyroîdectomie), ontstaat er uiteraard een hypothyroïdie. Dit kan perfect opgelost worden door inname van schildklierhormoon.

Na behandeling met radioactief jodium
Als de schildklier te snel werkt (hyperthyroïdie) vindt er soms behandeling plaats met radioactief jodium.  Een behandeling met radioactief jodium wordt ook wel gegeven bij een goiter zonder dat de schildklier te hard werkt, maar om de hinderlijke zwelling kleiner te maken. 

Na bestraling voor andere aandoeningen dan de schildklier
Soms ontstaat er hypothyroïdie als de patiënt in het halsgebied is bestraald voor een andere aandoening dan van de schildklier.

Na subacute thyroïditis – ziekte van De Quervain : zie hoger

  
Stille of pijnloze thyroïditis : zie hoger

  
Voorbijgaande hypothyroïdie: zie hoger

Subklinische hypothyroïdie
Aan hypothyroïdie gaat een stadium vooraf. In dat stadium maakt de schildklier al minder hormoon. De hoeveelheid schildklierhormoon in het bloed is nog binnen de normale waarden. Wel is de TSH-waarde al iets verhoogd. De combinatie van een normale T4-waarde met een verhoogde TSH-waarde staat bekend als subklinische hypothyroïdie. De term ‘subklinisch’ veronderstelt dat de patiënt geen klachten heeft. Dit is echter vaker wel het geval.

Centrale hypothyroïdie
Heel af en toe is de schildklier niet de oorzaak van hypothyroïdie. Het kan zijn dat de hypophyse of de hypothalamus de oorzaak is. De hypophyse maakt dan te weinig TSH (= schildklier stimulerend hormoon).

Schildklierkanker

  • Symptomen en risico’s
  • Papillair carcinoom
  • Folliculair carcinoom
  • Medullair carcinoom
  • Anaplastisch carcinoom
  • Lymfoom
  • Metastasen

Schildklierkanker komt weinig voor en de sterfte eraan is laag. Het komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, net als de andere schildklieraandoeningen. Schildklierkanker kan op alle leeftijden ontstaan, doch meestal tussen het 30e en 60e levensjaar.

 

 

 

 

 

Symptomen en risico’s

De belangrijkste symptomen en risico's zijn:

bestraling met röntgenstralen op de hals in de (vroege) jeugd

een acuut ontstane al of niet-pijnlijke knobbel in de hals

een knobbel in een asymmetrische schildklier bij een man of een kind

heesheid

voelbare grotere lymfklieren in de hals bij iemand met een goiter of schildkliernodus

zeer harde schildklier of nodus

niet-beweeglijke nodus bij slikken, dus vastzittend aan huid of spieren

kernreactorongevallen

Papillair carcinoom

Het woord papillair komt van het Latijnse papil. Dat woord betekent: klein, vingervormig.

Deze vorm komt voor op alle leeftijden. De oorzaak is meestal onbekend. Papillaire carcinomen zaaien vooral uit naar lymfeklieren en soms naar de longen. Ze komen vaker voor op meer plekken tegelijk in de schildklier.

 

Het papillaire carcinoom komt het meeste voor en heeft de beste kans op overleven. Bij jonge mensen is de kans op genezing uitstekend. 

 

Behandeling

De schildklier wordt met een operatie totaal verwijderd. Daarna volgt behandeling met radioactief jodium om nog aanwezig schildklierweefsel uit te schakelen.

 

Uitzaaiingen worden meestal ook met radioactief jodium behandeld. Soms met een operatie.

 

Hierna krijgt de patiënt een vrij hoge dosis schildklierhormoon (levothyroxine). Dit is om de schildklier te vervangen en om de TSH te onderdrukken. TSH is een hormoon van de hypofyse. TSH stimuleert schildkliercellen om schildklierhormoon te maken.

Na schildklierkanker is dat niet de bedoeling. Kwaadaardige schildkliercellen zouden kunnen groeien.

 

 

Folliculair carcinoom

Het woord folliculair komt van follikel, dat blaasje betekent. Follikels maken deel uit van normaal schildklierweefsel.

 

Folliculaire carcinomen zijn iets agressiever dan papillaire. Dit is vooral bij ouderen het geval. Deze vorm van kanker groeit langzaam. Na enige tijd kan hij zich verspreiden naar longen, botten en lever. Vaak is hij ook dan nog te behandelen met radioactief jodium.

 

Deze vorm komt het meeste voor bij mensen van 30-70 jaar. 

 

Behandeling

De schildklier wordt met een operatie totaal verwijderd. Daarna volgt behandeling met radioactief jodium om nog aanwezig schildklierweefsel uit te schakelen.

 

Uitzaaiingen worden meestal ook met radioactief jodium behandeld. Soms met een operatie.

 

Hierna krijgt de patiënt een vrij hoge dosis schildklierhormoon (levothyroxine). Dit is om de schildklier te vervangen en om de TSH te onderdrukken. 

 

Medullair carcinoom

Het medullair carcinoom is een zeldzame vorm van kanker. Dit carcinoom kan de stof calcitonine produceren. Calcitonine is in het bloed te meten. Soms worden ook nog andere hormonen gevormd. Het komt in families voor en kan via de andere hormonen diarree veroorzaken.

 

Het wordt ook gezien samen met bijniertumoren (feochromocytoom) en hyperparathyroïdie (te hard werkende bijschildklieren). Je spreekt dan van een MEN-syndroom (MEN staat voor multipele endocriene neoplasie).

 

Uitzaaiingen vinden plaats via het bloed en de lymfeklieren. 

 

 

 

Behandeling

De behandeling is vaak lastiger dan bij de papillaire en folliculaire carcinomen. Eerst wordt geopereerd. De schildklier en uitzaaiingen worden verwijderd. Vervolgens krijgt de patiënt levothyroxine voorgeschreven.

 

Bij terugkomst van de kanker is vaak slechts experimentele therapie mogelijk. Radioactief jodium helpt maar zelden.

 

Anaplastisch carcinoom

Deze agressieve tumor komt gelukkig weinig voor. De schildklier voelt hard aan en groeit snel, ook in de omliggende weefsels. Het komt vooral op hogere leeftijd voor (ouder dan 50 jaar). De behandeling helpt slechts tijdelijk en bestaat uit uitwendige bestraling. Zelden is operatie mogelijk en zinvol.

 

Lymfoom

Het lymfoom is een tumor die afkomstig is van witte bloedlichaampjes. Heel soms komt een lymfoom voor in de schildklier. Het groeit snel en lijkt op het anaplastische carcinoom. Het reageert soms goed op bestraling en/of chemotherapie.

 

Metastasen

Uitzaaiingen van tumoren uit de long, borst of nier komen soms voor in de schildklier. De behandeling hangt af van zo’n tumor in de long, borst of nier.

 

Onderzoek

Om een diagnose te stellen, zijn er verschillende mogelijkheden van onderzoek.
De meest voorkomende zijn:

Biopsie

Bloedonderzoek

Echografie

Schildklierscintigrafie

Een onderzoek dat altijd weer terugkomt, is het bloedonderzoek. Met dit onderzoek in combinatie met eventuele klachten is te zien of uw dosis schildklierhormoon nog goed is. 

Biopsie of FNAC
Als iemand een nodus in de schildklier heeft, wordt soms een biopsie gedaan. Met dit onderzoek is te zien of er mogelijk sprake is van schildklierkanker.

Met een dunne naald wordt wat weefsel uit de schildkliernodus gehaald. Hierna wordt het weefsel onderzocht in een laboratorium. Het duurt enige tijd voordat de uitslag bekend is.

De patiënt ligt bij een biopsie op een bed met het hoofd achterover. Tijdens het nemen van het biopt mag de patiënt niet slikken, omdat de schildklier dan beweegt. Dit onderzoek is over het algemeen niet pijnlijker dan bloedprikken.

Bloedonderzoek

  • Bloedafname
  • TSH
  • T4 en T3
  • FT4 en FT3
  • Normaalwaarden
  • Auto-antistoffen TPO, Tg en TSH-receptor
  • TSI en zwangerschap

Bloedafname
Een laboratorium bepaalt op verzoek van de arts diverse waarden in het bloed. Meestal wil de arts weten hoe de TSH- en FT4-waarde zijn. Soms wil de arts weten hoe de T4-, T3- of FT3-waarde is.  Ook laat een arts wel antistoffen bepalen.

 

TSH
De schildklier wordt aangestuurd door TSH (schildklier stimulerend hormoon).  De hypofyse maakt dit hormoon.  Aan de TSH-waarde is goed te zien hoe de schildklier werkt.

Als er te weinig schildklierhormoon in het lichaam is, maakt de hypofyse veel TSH.  
Is er te veel schildklierhormoon, dan maakt de hypofyse weinig TSH.

T4 en T3
De schildklier maakt twee soorten hormonen aan: T4 (thyroxine) en T3 (thyronine).  

Het hormoon T4 is een soort voorraad. T3 is het actieve hormoon. Naar behoefte van het lichaam, weefsels en cellen wordt T4 omgezet in T3. Dat gebeurt onder andere in de lever, de spieren en de hersenen.

FT4 en FT3
Het grootste deel van het T4- en T3-hormoon bindt zich aan eiwitten in het bloed.
Een klein beetje hormoon is direct beschikbaar. Dit geef je aan met de letter F van free = vrij.
FT4 = vrij T4 en FT3 = vrij T3.

 

Normaalwaarden
Normaalwaarden zijn de  grenswaarden die horen bij een normale werking van de schildklier.

De arts vergelijkt een gemeten waarde met de normaalwaarden. Zo ziet hij of deze binnen de normale grenzen ligt. Als deze waarde buiten de grenzen valt, doet een arts verder onderzoek.
Als de waarde binnen de normaalwaarden ligt, kijkt een arts eerder naar andere oorzaken van de klachten.

 

 

 

 

Elk laboratorium heeft zijn eigen normaalwaarden. In de tabellen ziet u de meest gebruikelijke.

 

 Normaalwaarde TSH    

 0,4 – 4,0 mU/l

 Normaalwaarde T4      

 60 – 140 nmol/l

 Normaalwaarde FT4    

 8 – 26 pmol/l

 Normaalwaarde T3      

 1,2 – 3,4 nmol/l

 Normaalwaarde FT3    

 3 – 8 pmol/l

 

 

 


 

Auto-antistoffen TPO, Tg en TSH-receptor
Vaak is een schildklieraandoening een auto-immuunziekte. Het lichaam maakt antistoffen tegen het eigen weefsel.
We onderscheiden de volgende auto-antistoffen:

  • antistoffen tegen de schildklier
  • antistoffen tegen de TSH-receptor

Auto-antistoffen tegen de schildklier
Anti-TPO en anti-Tg zijn antistoffen tegen de schildklier. Zij veroorzaken een ontsteking en beschadigen de schildklier.

Veel patiënten met de ziekte van Graves en de ziekte van Hashimoto hebben deze auto-antistoffen.
Bij patiënten met andere schildklieraandoeningen komen deze auto-antistoffen ook voor.

Ze zijn soms ook aanwezig bij gezonde personen, met name bij vrouwen boven 45 jaar.
Niet iedereen met deze auto-antistoffen krijgt een schildklieraandoening. 

 

 

 

 

 

 

   
Elk laboratorium heeft zijn eigen normaalwaarden. In de tabellen ziet u de meest gebruikelijke.

 

 Auto-antistoffen TPO, normaalwaarden in IE/ml

 

 < 60

 negatief

 60 – 100

 dubieus

 > 100

 positief

 

 

 

 

   

 

 Auto-antistoffen Tg, normaalwaarden in IE/ml

 

 < 280

 negatief

 280-344

 dubieus

 >344

 positief

         

 

 

 

 

Auto-antistoffen tegen de TSH-receptor
Auto-antistoffen tegen de TSH-receptor hebben te maken met de werking van TSH.
TSH stimuleert de schildklier om hormonen te maken.

Bij deze auto-antistoffen is er verschil tussen stimulerende en blokkerende antistoffen.
Samen worden ze vaak TBII genoemd.

Stimulerende auto-antistoffen – ook wel TSI genoemd – doen TSH na.
In dat geval stimuleren ze de schildklier om veel schildklierhormoon te maken.

Blokkerende auto-antistoffen zorgen dat de TSH zijn werk niet kan doen.
De schildklier wordt niet meer gestimuleerd om hormoon te maken. De schildklier verschrompelt (atrofie).

De meeste patiënten met de ziekte van Graves hebben stimulerende antistoffen. Blokkerende antistoffen worden wel gezien bij patiënten met hypothyroïdie (= langzame schildklier).

 

 

Elk laboratorium heeft zijn eigen normaalwaarden. In de tabellen ziet u de meest gebruikelijke.

 

 

Auto-antistoffen tegen de TSH-receptor,  normaalwaarden in IE/l

 

 < 1,0

 negatief

 1,0 - 1,5

 dubieus

 > 1,5

 positief

 

 

 

 

 


TSI enzwangerschap
Bij Graves’ hyperthyroïdie, nu of in het verleden,  moet tijdens de zwangerschap het bloed altijd gecontroleerd worden op TSI-antistoffen. Dat gebeurt tem. de zesde maand. Als er TSI-antistoffen zijn aangetoond, moet de controle in de laatste drie maanden van de zwangerschap worden herhaald. Deze antistoffen kunnen via de placenta bij de baby terecht komen.

In de laatste drie maanden kunnen die antistoffen de schildklierfunctie beïnvloeden van de baby. Hierdoor kan de baby zelf hyperthyroïdie krijgen. Dit is gelukkig zeldzaam, bij ongeveer 1 tot 5% van alle zwangerschappen van alle ‘Graves-zwangeren’. Maar als het voorkomt, heeft de baby meer kans op onder andere groei- en ontwikkelingsstoornissen, een te snelle hartslag en een te grote schildklier.

Echografie
Een echografie is een onderzoek met geluidsgolven. Met dit onderzoek wordt de schildklier zichtbaar gemaakt en de grootte van de schildklier bepaald. Ook zijn cysten, nodussen en verkalkingen op deze manier op te sporen.

De patiënt ligt bij het onderzoek plat op de rug met een kussen onder de nek. Het te onderzoeken gebied wordt met contactgel ingesmeerd. De gel zorgt voor de geleiding van de geluidsgolven. Het onderzoek is pijnloos.

 

 

Schildklierscintigrafie
Scintigrafie is een pijnloos onderzoek waarbij de schildklier wordt afgebeeld.

Dit onderzoek is te vergelijken met het inspuiten van contrastvloeistof om aandoeningen aan zachte weefsels in het lichaam zichtbaar te maken.

Bij scintigrafie is de contrastvloeistof een kleine hoeveelheid radioactief gemerkt jodium of technetium. Actieve schildkliercellen nemen dat gemerkte jodium of technetium op. Korte tijd na het inspuiten van het gemerkte jodium of technetium wordt de patiënt voor een camera geplaatst met de kin op een steun. Vervolgens wordt een soort ‘foto’ (= scintigram) van de schildklier gemaakt.

Bij de ziekte van Graves zijn alle schildkliercellen actief en licht de schildklier op in de vorm van een vlinder. Bij één of meer actieve nodussen lichten vaak alleen die nodussen op.  Bij een thyreoïditis (ziekte van Hashimoto) is niets te zien op het scintigram.

Behandeling
Er bestaan verschillende schildklieraandoeningen. Denk aan hypothyroidie, hyperthyroidie, goiter, schildklierkanker en de ziekten van Graves.
Deze schildklieraandoeningen worden behandeld met medicijnen, een operatie en/of radioactief iodium. Per aandoening verschilt de behandeling.

Voor de behandeling van schildklieraandoeningen gelden richtlijnen. Van huisartsen, NKO-artsen, internisten, gynaecologen, oncologen en nucleair geneeskundigen wordt verwacht dat zij zich houden aan die behandelrichtlijnen.

 

 

 

 
 


schildklier

 

Auto-immuun schildklieraandoeningen: klik hier