azdelta  
                          
AZ Delta Roeselare    
Campus Wilgenstraat   Campus Brugsesteenweg Tel.  051-23.70.22
Wilgenstraat 2 Brugsesteenweg 90 Fax. 051-23.79.77
8800 Roeselare 8800 Roeselare  
webmaster: glen.forton@azdelta.be

Een woordje uitleg over:
- oorproblemen en -operaties
- neusproblemen en -operaties
- sinusproblemen en -operaties
- duizeligheid
- oorsuizingen
- allergieën
- snurken en oplossingen
- schildklierproblemen
- stemproblemen
- keel- en stembandkanker

 

 
 
Cochleaire implantatie

Soms wordt een baby zwaar slechthorend of zelfs volledig doof geboren. Het kan ook gebeuren dat het gehoor van een volwassene dermate achteruit gaat dat een "gewoon" hoorapparaat niet meer in staat is dit gehoor te verbeteren tot een nuttig niveau. Met andere woorden: zelfs met het best geschikte en krachtigste toestel komt deze gehoorgestoorde niet meer tot het verstaan van spraak.

In deze gevallen kan de functie van het binnenoor worden overgenomen door een bijzonder hoortoestel: een cochleair implantaat. Dit toestel bestaat uit een deel dat geïmplanteerd wordt en waarvan de stimulatie-elektrode ingebracht wordt in het slakkenhuis of cochlea (vandaar de naam), en een uitwendig deel (de spraakprocessor) dat gedragen wordt, ongeveer zoals een gewoon hoorapparaat.

Alvorens de werking van een cochleaire implant te kunnen uitleggen, moet eerst de werking van het oor verklaard worden.

We onderscheiden drie essentiële onderdelen aan het oor:

- het uitwendige oor: oorschelp en gehoorgang
- het middenoor: trommelvlies en gehoorbeentjes (hamer, aambeeld en stijgbeugel)
- het binnenoor: slakkenhuis (cochlea) en evenwichtsorgaan

Het middenoor heeft als voornaamste functie het efficiënt doorgeven van de geluidstrillingen aan het binnenoor. Het middenoor moet goed verlucht zijn om optimaal te kunnen functioneren. Wanneer er bijvoorbeeld slijm of etter in het middenoor zit, geeft dit aanleiding tot een gehoorverlies, dat we geleidingsverlies of transmissieverlies noemen. Ook een perforatie van het trommelvlies met of zonder beschadiging van de gehoorbeentjesketen, geeft aanleiding tot een geleidingsverlies. Wanneer de gehoorbeentjesketen niet meer normaal kan bewegen en trillen, ontstaat er eveneens een geleidingsverlies.

Al deze problemen zijn echter van mechanische aard en kunnen principieel heelkundig hersteld worden (zie elders op deze website).

In het binnenoor, meerbepaald in het slakkenhuis of cochlea, worden de geluidstrillingen omgezet in zenuwprikkels. Dit gebeurt door de haarcellen in het zogenaamde orgaan van Corti. De zenuwprikkels worden dan via de gehoorzenuw naar de hersenstam geleid. Wanneer er schade optreedt in het slakkenhuis, dan veroorzaakt dit een zogenaamd perceptief gehoorverlies en dit kan niet eenvoudig heelkundig hersteld worden. Voorbeelden zijn ouderdomsslechthorendheid, lawaaitrauma, ziekte van Ménière en dergelijke. Een conventioneel hoorapparaat kan hier dikwijls een oplossing bieden.

Wanneer de schade in het slakkenhuis echter dermate groot is dat het gehoorverlies beiderzijds de grens van 85 à 90 dB overstijgt, dan wordt het moeilijker en moeilijker om tot spraakverstaan te komen met behulp van conventionele hoorapparaten. Het is dan dikwijls een betere oplossing de gehoorzenuw rechtstreeks te gaan stimuleren: dit gebeurt dan doormiddel van een cochleair implantaat.

Een cochleair implantaat bestaat uit een inwendig en een uitwendig deel. Het inwendige deel is voorzien van een elektrode. Deze elektrode wordt ingebracht in het slakkenhuis via een kleine opening die wordt aangelegd net voor en onder het ronde venster of via het ronde venster zelf. Het doosje, waarin de elektronica zit en waaraan de spoel vastzit wordt ondergebracht in een geringe uitsparing in het schedelbot ongeveer achterboven het oor. Het uitwendige deel wordt dan gedragen zoals een gewoon achter-het-oor hoorapparaat, maar met een bijkomende spoel die door middel van een magneet blijft zitten ter hoogte van de spoel van het inwendig deel. Het uitwendige deel vangt het geluid op en zet dit na verwerking om in een digitaal signaal dat via de spoel wordt overgebracht naar het inwendige deel. Via de elektrode wordt dan de gehoorzenuw elektrisch gestimuleerd, waardoor het signaal hoorbaar wordt. De ingreep is voor de patiënt niet erg belastend en vergelijkbaar met een andere ooroperatie. De gemiddelde hospitalisatieduur is drie dagen.

Het uitwendige deel, de processor, moet een aantal maal bijgeregeld worden: dit is de zogenaamde "fitting". Ondertussen leert de geïmplanteerde patiënt het nieuwe geluid te interpreteren en te koppelen aan het lipbeeld. Revalidatie is hierbij onontbeerlijk en een zeer grote hulp.

Alhoewel de ingreep zelf altijd terugbetaald wordt door het ziekenfonds, wordt het implantaat zelf slechts onder welbepaalde omstandigheden terugbetaald. Vermits het al gauw om 22.000 Euro gaat, is dit een zeer belangrijk gegeven. Het Koninklijk Besluit van 2 juli 2014 (C-2014/22311 Art. 2) handelt over de voorwaarden waaronder een cochleair implantaat zal worden terugbetaald en dit slechts na voorafgaandelijke goedkeuring van het dossier door het College van Geneesheren-directeurs van het RIZIV.

Kort samengevat, moet het gemiddelde gehoorverlies op de frequenties 500Hz, 1000 Hz en 2000 Hz ten minste 85 dB bedragen op het beste oor en het spraakverstaan op 70 dB mag nog maximaal 30% bedragen. De gevonden gehoordrempels moeten worden bevestigd door een objectief onderzoek, namelijk auditief geëvokeerde hersenstampotentialen of BERA. Door dit onderzoek moet worden aangetoond dat de gehoorzenuw geen respons geeft wanneer geluiden zachter dan 90 dB worden aangeboden aan het beste oor. Aan de hand van verslagen van de reeds uitgevoerde aanpassingen van hoorapparaten moet blijken dat de patiënt door geen enkel conventioneel hoortoestel tot spraakverstaan kan komen. Dit wordt aangetoond door spraakaudiometrie in vrij veld met hoorapparaten. De kandidaat moet in een voldoende goede algemene gezondheid verkeren om de ingreep zonder problemen te doorstaan. In geval van psychologische problemen en/of mentale retardatie, moet er ook een psychologisch verslag aan de aanvraag toegevoegd worden. Patiënt moet bereid zijn een revalidatieprogramma te volgen en er moet een voorstel van een revalidatieprogramma worden toegevoegd aan de aanvraag tot terugbetaling. Er zijn ook uitzonderingen voorzien voor een aantal bijzondere situaties: zo kunnen bijvoorbeeld een aantal van de hoger vermelde tests niet worden afgenomen bij baby's of bij patiënten met een mentale handicap. Dit is op zich geen tegenaanwijzing voor cochleaire implantatie.

Voor kinderen jonger dan 8 jaar wordt er voor elk oor een cochleair implantaat terugbetaald en kan er om de drie jaar een nieuwe spraakprocessor worden terugbetaald. Voor personen ouder dan 8 jaar wordt er slechts één cochleair implantaat terugbetaald en dit is een spijtige zaak. Uit wetenschappelijk onderzoek is ondertussen op zeer overtuigende wijze aangetoond dat de beste behandeling voor iemand die plots doof wordt op één oor, een cochleair implantaat is. In België moet de patiënt dit dus zelf bekostigen. Om de vijf jaar wordt voor een persoon ouder dan acht jaar terugbetaling van een spraakprocessor voorzien.

Auditieve neuropathie, een zeldzame aandoening van de gehoorzenuw, is eveneens een indicatie tot terugbetaling van één cochleair implantaat, doch slechts tot de leeftijd van 18 jaar. Een volwassene bij wij pas dan een auditieve neuropathie wordt vastgesteld, dient zijn cochleair implantaat zelf te bekostigen.

De resultaten van cochleaire implantatie zijn tegenwoordig goed tot zeer goed, wat betekent dat in 90% der gevallen degeïmplanteerde na het volgen van de revalidatie vlot in staat zal zijn een normaal gesprek te volgen en dus adequaat te communiceren. In vele gevallen lukt het ook te telefoneren en opnieuw van muziek te genieten. Doof geboren baby's die voor de leeftijd van 2 jaar geïmplanteerd worden (en geen andere handicaps vertonen), zullen principieel een normale taalontwikkeling kennen en dus kunnen starten met normaal onderwijs. Vermits tegenwoordig een bilaterale implantatie terugbetaald wordt in deze gevallen, zijn de resultaten nog iets beter. Een groep die het minder goed, is uiteraard de groep der doof geboren volwassenen, die zich dus na 20, 30 of meer jaren totale doofheid laten implanteren. Vermits hun taalontwikkeling niet normaal is kunnen verlopen, verloopt ook de revalidatie en de taalverwerving na implantatie veel moeilijker.

Verdere informatie kunt u vinden op de website van de drie producenten waarmee wij samenwerken:

http://www.cochlear.beNucleus6

http://www.medel.beOpusIIRondo

http://www.advancedbionics.beNaidaQ70

Terug naar oorproblemen en -operaties

 

 

 

 
 




 

CI2Cochleair implantaat ter platse (schema)
CI3
Illustratie van de elektrische stimultie van de gehoorzenuw

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player